cookieChoices = {}; Deventer Natuur

dinsdag 16 juli 2019

Draadgentiaan, Koprus en Dwergbloem, een zeldzame klasse

Draadgentiaan (Cicenda filiformis)
De laatste jaren zijn we al diverse keren verrast door het voorkomen van Draadgentiaan (Cicendia filiformis). Een zeldzame soort en sterk achteruitgegaan (75-100%) in Nederland, zie verspreidingsatlas.
Op 2 plekken waar de Plantenwerkgroep van KNNV-IVN vaak komen is de soort nu al massaal gevonden. Hoe gaaf is dat? Nota bene op een stuk voormalig landbouwgrond. Dat biedt perspectieven zou je zeggen.

Als je je wat verdiept in de soort, dan kom je vanzelf bij de plantengemeenschappen terecht en wel in de Dwergbiezenklasse. Dat is een klasse van kort levende pioniergemeenschappen op kale, vochtige vaak dichtgeslagen bodem. Hé, voormalige akker, heringericht, wisselende grondwaterstanden en invloeden van grondwater.  Klopt volgens de beschrijving van de veldgids Plantengemeenschappen van Nederland en dan de Dwergbiezenklasse, 28. Klassen kunnen uit verbonden, associaties en subassociaties bestaan. Nu wordt het leuk. Wat nu als je naast Draadgentiaan nog 2 kensoorten en diverse begeleiders (Zomprus, Greppelrus, Borstelbies, Gewone waternavel en Dwergzegge) hebt gevonden in hetzelfde gebied, dan kom in je de Draadgentiaan-associatie terecht. Deze associatie is zeldzaam in Nederland.

Koprus (Juncus capitatus)
Eén van die zeldzaamheden is de Koprus (Juncus capitatus), in 2015 gevonden in een retentiegebiedje langs de Zandwetering. Het ging toen om enkele 100'en exemplaren.
Nu in diverse poeltjes van één van die mooie gebiedjes rondom Deventer, Koprus en niet zo'n klein beetje ook. Eerst een aantal plantjes en verderop letterlijk duizenden. Draaddun, nauwelijks 10 cm groot met een mooie stervormige bloeiwijze.

Dwergbloem (Centunculus minimus)
Naast massaal Kleine zonnedauw, niet heel zeldzaam, maar landelijk gezien toch aan het achteruitgaan, ook een andere kensoort van de genoemde associatie. Duizenden exemplaren van Dwergbloem (Centunculus minimus) in de sporen van een voormalige aanvoerweg. Gemakkelijk voor mos aan te zien, gezien de grootte van de planten, slechts 1-3 cm groot en onopvallende bloemen. Overigens niet eerdere gemeld in Deventer e.o. sinds 1990!!
Naast deze soorten is nog een hele lijst van bijzonderheden mogelijk. Op wikipedia is een hele lijst van soorten beschreven waar we onze ogen voor open moeten houden tijdens excursies in dit type gebieden.

Wat is nu zo bijzonder aan het voorkomen van deze soorten. Ten eerste zijn ze natuurlijk buitengewoon zeldzaam. Koprus, minder dan 10 km hokken in Nederland. Dwergbloem, zoals gemeld niet gemeld sinds 1990, Draadgentiaan an sich is al niet heel algemeen. Blijkbaar is het dus een bijzondere plek. Gezien het feit dat het pioniergemeenschappen zijn is het dus zaak, als de beherende organisatie dat wil behouden, die pioniersituatie te behouden. Instandhouding kan geschieden door plaggen en schonen van de vennen. De begroeiing heeft baat bij het tot op de minerale ondergrond verwijderen van de toplaag. Dit kan prima gebeuren in combinatie met het verwijderen van de eeuwige Zwarte elzen en Berken en het schonen van de vennen. Door een wat flauwer oevertalud te realiseren wordt ook de oppervlakte geschikt voor de soorten uit deze associatie verder vergroot en worden de kansen voor een duurzame populatie vergroot (Bron, Schaminée, J., K. Sýkora, N. Smits & M. Horsthuis, 2010: Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Zeist. ISBN 978 90 5011 309 0)

zondag 7 juli 2019

Nog meer muur

Muren habitat
Hiernaast een typisch voorbeeld van het habitat van de muren, beter de Vetmuren en Zandmuren en uiteraard nog wat meer soorten. Rijk aan voedsel, zanderig en hier en beiden. Ze kunnen behoorlijk wat betreding hebben. Vetmuren spannen toch wel de kroon wat betreft betreding. In drukke winkelstraten kunnen ze zichzelf prima handhaven, alleen wordt  herkenning toch best lastig en geeft vooral (als je het niet uitgraaft) een raar gezicht, achterwerk omhoog en met je neus op de staatstenen, tja, als je niet boven het 'maaiveld' uitsteekt dan krijg je dat. Op wat rustiger plaatsen laten de vetmuren zich goed bekijken. Veel mensen weten niet dat er meerdere soorten zijn, 6 om precies te zijn. Waarvan er met zekerheid 4 in Deventer voorkomen, Liggende, Sierlijke, Donkere en Uitstaande vetmuur. De verschillen met Sierlijke vetmuur (ook wel Krielparnassia zijn zo groot dat het lastig zal zijn deze in hetzelfde milieu tegen te komen als de overige soorten).
Liggende vetmuur met stekelpuntje op de bladen en, in dit geval 5 kroonbladen.
Donker vetmuur is nog een 4de soort die dezelfde standplaats deelt met Liggende en Uitstaande vetmuur. De verschillen zijn niet al te groot. Bladen met een kort stekelpuntje, vrijwel nooit kroonbladen, liggend tot stijgend en vertakt. In de vruchttijd is het wat anders dan staan de kelkbladen van Uitstaande vetmuur recht af van de vrucht, vandaar Uitstaande vetmuur.

Het heeft een jaar geduurd voordat deze blog helemaal klaar was. Waarom kun je je afvragen. Terecht, het zijn stuk voor stuk algemene soorten, bekijk maar verspreidingsatlas.nl. Ja leuk, maar, heb ik nu wel echt die verschillende soorten gezien. Ik was ervan overtuigd dat ik ze gemakkelijk alle 3 (Liggende, Donkere en Uitstaande vetmuur) zou kunnen zien. Nou dat viel toch wel even tegen. Want? 2 van de 3 genoemde zijn eenjarigen, 1 is overblijvend. Ah, daar zit al een clou waarom het niet gemakkelijk is om ze allen tegelijk tegen te komen. Eenjarigen hebben soms een zeer snelle levenscyclus, wat betekent dat je maar tijdelijk aanwezig zijn. Dat is de eerste uitdaging. De tweede is de grootte van de planten. Het is allemaal nogal klein.
Habitus Uitstaande vetmuur.
Maar dan toch, in het juiste jaargetijde (mei - juli) ze alle 3 gezien. Het verschil tussen Liggende vetmuur en Donkere/Uitstaande is dat de Liggende vetmuur een overblijvende soort is met een zeer duidelijk wortelrozet én het hele jaar door zichtbaar!!
Donkere vetmuur

Veel minder lang zichtbaar zijn de soorten Donkere en Uitstaande vetmuur. Mei tot juli is toch wel de tijd. Echter dat geld voor beiden. Dan toch die verschillen, beiden hebben ze draaddunne stengels en zijn rechtopstaand.

Grootste verschil is de witgerande en rechtopstaande kelkbladen van Donker vetmuur. Uitstaande vetmuur heeft recht afstaande kelkbladen in de vruchttijd en in de knoptijd een roze rode tand.
Uitstaande vetmuur

Hierboven (links) Donkere vetmuur (lichte vliezige rand aan de kelkbladen die stijf tegen het vruchtbeginsel staan) en rechts Uitstaande vetmuur met een roze rode tand/rand en uitstaande  kelkbladen.

vrijdag 3 mei 2019

Mossige steenbegroeier

Dat is nog eens naam waar je mee voor de dag kunt komen. In het Nederlands is het Mosbloempje (Crassula tillaea). Mossige steenbegroeier is de vrije vertalling van de Engelse naam Mossy stonecrop.
Mosbloempje met Liggen vetmuur
Even schrikken, want de wetenschappelijke naam Crassula roept doembeelden van de andere vertegenwoordiger van dit geslacht op. Te weten de Watercrassula. Dit is een uit Australië en Nieuw Zeeland ontsnapte exoot die vlakdekkend sloten en poeltjes en andere wateren kan bedekken.
Eigenlijk is het vermogen van deze twee leden van de Crassula familie hetzelfde, afgebroken stukjes worden nieuwe planten, mits voldaan wordt aan de juiste omstandigheden. Voor Mosbloempje geldt dat dit schrale zandgrond moet zijn. Genoeg aanwezig zou je zeggen. Echter, verspreidingsatlas is vrij duidelijk, vrij zeldzame soort. De waarnemingen in Deventer e.o. laten ook al niet veel twijfel hierover bestaan. Slechts 2 keer eerder opgegeven door waarnemers, en wel op dezelfde plek, te weten op één van de begraafplaatsen van Deventer.

Details, met o.a. de bloeiwijze van Mosbloempje.
Er zijn diverse verhalen over het Mosbloempje, bijvoorbeeld op eerder genoemde bron waar het de straten van Harderwijk rood schijnt te kleuren. Of de bijdrage op de blog stadsplanten, waar het als een van de soorten wordt gekend die als voegenvuller zou kunnen worden aangemerkt. Ok, nou dat is zeker niet geval in Deventer! Of kijken we er altijd overheen. Ik schat in dat dat laatste wel eens het geval zou kunnen zijn. Houd waarneming.nl maar in de gaten. Er zullen meerdere waarnemingen volgen nu er weer een zoekbeeld van een soort is bijgekomen.

Gerrit Hendriksen

zondag 21 april 2019

Muurbloem in Deventer

Muurbloem op de muur van de Bergkerk
De Muurbloem (Erysimum cheiri) is een iconische soort van oude muren. Er zijn niet heel veel plaatsen in Nederland waar de Muurbloem voorkomt, behalve dan in tuinen. Van nature komt de soorte in een aantal steden voor, waaronder Kampen, naar verluid de meest noordelijke groeiplaats.
In 2012 is de Muurbloem weer in Deventer te vinden, de soort is terug gekomen via het 'project herintroductie Muurbloem'. 

De muurbloem komt vermoedelijk oorspronkelijk uit het oostelijk Middellandse Zeegebied en is door de Romeinen in grote delen van Europa ingevoerd als sierplant en geneeskruid. De Muurbloem is een landelijk zeldzame plant die in onze contreien uitsluitend voorkomt op oude (stads)muren en ruïnes. In de bloeitijd van de muurbloem (april-juni) kleuren de muren met deze soort goudgeel van kleur. De muurbloem heeft de grootste bloemen van de familie kruisbloemigen van het land.
Detail Muurbloem

De muurbloem heeft een voorkeur voor zeer oude, verweerde muren die met zachte kalkspecie zijn gemetseld en gevoegd. Normaal gesproken staat zij niet op de loodrechte delen van de muren, maar op muurkronen, uitspringende randen en scheefgezakte delen.

Over het proces van het uizetten van de Muurbloem in Deventer is een artikel geschreven in het Vakblad voor Natuur, Bos en Landschap. Het artikel is te vinden en te lezen via het biobliotheek systeem van Wageningen UR, via de volgende link.

Muurbloem op Wellekade
Er is redelijk wat publiciteit rondom de Muurbloem, zoals ook op 21 april 2019 in het radio programma Vroege Vogels. In een specifiek deel van de uitzending (volg de link naar de podcast) is één van de initiatiefnemers van de herintroductie in Deventer aan het woord over de moederpopulatie van de Deventer Muurbloem, te weten die in Kampen.

KNNV Deventer houdt het wel en wee van de Muurbloem nauwlettend in de gaten in samenwerking met de stadsecoloog van Deventer.

Gerrit Hendriksen

zondag 31 maart 2019

Ster van Betlehem

Ik ben dit voorjaar niet direct heel religieus geworden, maar ik moet zeggen de Engelse naam Star-of-Betlehem is toch wel erg gaaf voor één van 's Neerlands echte inheemse bolgewassen die ook nog eens veel in Deventer zijn te vinden en wel op dit moment, in maart (het hoogtepunt van de bloei is toch wel half maart). De bloeiperiode is heel kort, waardoor het zaak is even een paar weken intens te genieten van deze prachtige bloemen soms als een zee te midden van Grote sneeuwroem (Chionodoxa forbesii).
Weidegeelster tussen Grote sneeuwroem in het Rijsteborgherpark

Eigenlijk is de Star of Betlehem gereserveerd voor de Bosgeelster (Gagea lutea) en heet dan Yellow Star-of-Betlehem en de Akkergeelster (Gagea villosa), ofwel Hairy Star-of-Betlehem.
Bosgeelster komt naar waarschijnlijkheid niet voor in de buurt van Deventer, Akkergeelster en Weidegeelster (Gagea pratensis) daarentegen wel.

Weidegeelster (Gagea pratensis)



De Weidegeelster is niet behaard, heeft bladeren smaller dan 1 cm en heeft meestal een roodbruine bladvoet. Weidegeelster heeft 1-6 lang gesteelde bloemen in een scherm boven 2 schutbladen. Weidegeelster komt op veel plekken in de oude parken van Deventer voor, ook langs een aantal wegen en kleinere parkjes is de soort bij voorkeur rondom boomvoeten te vinden.

De Hairy versie dankt zijn naam aan het feit dat, jawel de plant behaard is. Dat is echt heel erg duidelijk te zien. De Akkergeelster heeft een behaarde steel en zelfs bloemdekbladen (bij bolgewassen wordt niet gesproken over kelk- en kroonbladen maar over bloemdekbladen). De bloeiwijze van de Akkergeelster bevat tussen 5 en 15 bloemen per scherm, ook weer voorzien van schutbladen. Opvallend zijn de iets puntiger en kleinere bloemen dan de Weidegeelster.
Akkergeelster (Gagea villosa)
Het is zoeken naar Akkergeelsterren tussen de vele malen vaker voorkomende Weidegeelsterren. Als dan ook nog het Speenkruid massaal aan het bloeien is dan is het helemaal goed zoeken. Zeker ook omdat Akkergeelsterren gewoon niet zo heel algemeen zijn. Een citaat uit de Nederlandse Oecologische Flora (4:277): "Enige tientallen jaren lang werd de Akkergeelster gedoodverfd als een uit ons land verdwenen soort. Vanaf 1969 bleek gaandeweg dat zij helemaal niet voor de Nederlandse flora verloren was, maar dat het alleen erop aankwam op de juiste plekken te zoeken." Dit geld ook voor Deventer. Tot voor een jaar of 5 geleden was niet bekend dat deze soort te vinden is. Voor zover bekend is er buiten het Rijsteborgherpark en het Worpplantsoen maar 1 andere plaats met Akkergeelster.

Het fraaie van Deventer is dat het voor Weidegeelster en Akkergeelster zo'n beetje in het hart van het verspreidingsgebied van beide soorten ligt. Rondom Deventer is de Weidegeelster zeker niet heel zeldzaam. Akkergeelster is overal redelijk zeldzaam, zelfs in het hart van het verspreidingsgebied is het goed zoeken naar de Hairy Star-of-Betlehem.


Gerrit Hendriksen

donderdag 20 december 2018

De Welle en de Poelruit

De Wellekade is een bijzonder deel van de stad die bloot staat aan onder andere het water van de IJssel. De IJssel heeft een behoorlijke invloed doordat de kade wel eens overstroomt (jaarlijks) waardoor er in floristische zin allerlei verrassingen kunnen voorkomen en dat is mooi materiaal voor een serie. Deze aflevering gaat over een soort die grote pollen kan vormen en veel kan worden gezien in de uiterwaarden, de Poelruit, ofwel Thalictrum flavum. Op de Wellekade is één plant te vinden en wel vlakbij het merkteken met waterstanden, dus aan de kant van de Wilhelminabrug. Volgens https://www.verspreidingsatlas.nl/1275 groeit de Poelruit op “zonnige tot licht beschaduwde plaatsen
op natte tot zeer vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, humeuze en vaak kalkhoudende grond.” Dus niet op een stenige ondergrond. Kalkrijk zou overigens wel kunnen kloppen, daar op die muur bij het Pothoofd, maar humeus nou niet direct en al helemaal niet vochtig en nat. Toch staat de plant er al het hele jaar, ondanks de verschroeiend hete zomer. Poelruit is algemeen, zoals het kaartje op reeds genoemde site laat zien, zeker in de uiterwaarden van het rivierengebied. Met hoog water moeten zaden een goede bodem hebben gevonden. Daar de zaden kortlevend zijn (minder dan 1 jaar), moet het met het laatste hoogwater mee zijn gekomen vanuit de uiterwaarden stroomopwaarts. Het is op de foto niet te zien dat er nog meer soorten op dezelfde plek staan, dat zou namelijk een verklaring kunnen zijn voor enige vorming van humus. Volgend jaar wordt zeker weer gekeken of de plant er nog staat, zeker als er geen ‘schurend’ hoogwater komt is er best wel een kans dat er dan misschien ook wel bloei gaat komen. Over die bloeiwijze gesproken.

De bloeiwijze van de Poelruit is een eigenaardige bloeiwijze die eigenlijk alleen maar bestaat uit lange meeldraden, met lichtgele helmknoppen. De zeer smalle, geelachtige bloemdekbladen vallen af zodra de bloem gaat bloeien. Omdat de meeldraden zo lang zijn is het een opvallende verschijning in de uitwaarden, zeker ook omdat de planten tot 90 cm hoog kunnen worden.

Gerrit Hendriksen

zondag 21 oktober 2018

Asters aan de kade

Smalle aster aan het Pothoofd, met op de achtergrond de Lebuïnuskerk
Het is herfst, nou ja, nog bijna 20 graden zo half oktober 2018. Langs de IJssel struinend zie ik een prachtige pol asters staan. Smalle asters zijn hier en daar op de kribben en de stenige rivierbescherming te vinden vaak samen met Engelse alant (die blijkbaar vorig jaar alles heeft gegeven wat het had, dit jaar nauwelijks één te zien namelijk). Goed die kribben en die asters. Vlakbij de Wilhelmabrug, zo ongeveer ter hoogte van het locatie Pothoofd staat prachtig in de uiterwaarden een pol Smalle aster. Smalle aster (Aster lanceolatus/ontarionis) is een exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant) uit het noorden van Amerika (Verenigde Staten en Canada) wat het tweede deel van zijn wetenschappelijk naam verklaard. Diverse indianen in het noorden van Amerika gebruiken Smalle aster bij koorts, wonden en bloedneus.
In het oorspronkelijke verspreidingsgebied worden 5 ondersoorten onderscheiden (zie efloras.org). Omdat er in de Heukels' maar 1 soort is beschreven is nu niet duidelijk welke ondersoort dit zou moeten zijn. Dat vergt wat nader onderzoek, misschien dat ik daar nog eens op terug kom.
Overigens heet het geslacht in VS en Canada Symphyotrichum.
Op verspreidingsatlas.nl staat er s.l. achter de NL naam, wat betekent Sensu lato, ofwel in brede zin. Alienplantspecies.be (bezoek die site, erg veel informatie) geeft aan dat er weinig bekend is over de exacte verspreiding van de soort en welke er nu eigenlijk zijn. Het geeft wel aan dat vooral de Smalle aster veel meer voorkomt dan andere soorten uit dat genus.
Wat in ieder geval zeker is dat de soort vooral langs de rivieren voorkomt, daar zijn de kribben dan weer.
Aster lanceolatus, close up
Net als de in tuinen voorkomende Herfstaster is ook deze aster in trek bij bijen (in het geval van bovenstaande foto is er nog een honingbij te zien.

Geniet ervan zolang het nog niet heeft gevroren, het is een mooie soort.

Gerrit